Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen, 't Wordt, of ze met haar gebukt hoofd en huiverige schouders den nacht voor zich uit moet stuwen. Bij de deur j aagt het geknars van de grendels haar hart tot heftig bonzen op.

Eerst op het voorhof herademt ze en, ineens bijna blij, gaat ze onder de wulfselgang aan de deur van den poortwaarder kloppen. Aanstonds komt er gestommel binnen, 't Goediggrijze gezicht van den ouden Caspar buigt naar haar over. ,,'k Wist wel, dat u weer te vroeg zou komen, juffer Anna," glimlacht hij hoofdschuddend. „Daarom ben ik maar blijven waken."

„God zegen je er voor, Caspar," en langs hem kijkt ze met een heimwee het poortkamertje in, waar z'n getijdenboek open ligt tusschen een grooten zandlooper en een laag-afgebrande talkkaars op ijzeren luchter. Dit is Caspar's cel, waar hij een toevlucht vond, toen hij uit 't Vaassensch Franciscanenklooster Oosterhof met al de andere broeders en monniken werd verjaagd. Zonder z'n leekebroederspij, maar met z'n boeken, met z'n hart vol goedheid, z'n hoofd vol van alles wat zij levenslang 't liefst hoorde, is hij op de Laar gekomen, en is er ondanks alles nu nog om z'n stille trouw.

Zwijgend gaan ze naast elkander naar de poort. „God stuurde hem hier," denkt Anna. Hij laat de brug voor haar zakken. „Bid een avé voor mij," mompelt hij beschroomd, nu zij, 't donker ingaat met haar licht als een ster in de hand.

Over de brug begint ze aanstonds den rozenkrans. Ze ziet niet op. Maar als ze merkt, hoe hart en adem haar beklemd zijn van angst, heft ze de hand om het licht te laten schijnen in de zwarte holten tusschen de stammen, 'n Blauwzwart waas vangt opzij en omhoog den goudigen schijn in z'n diepte.... Ze wil de bangheid in de oogen zien en sterk zijn

Sluiten