Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levenslang, dit Evangelie van Allerheiligen. Ze zal aan Caspar alles zeggen van dit onverwachte geluk.... het zal ook 't zijne zijn! voor hem, voor haar, voor al de armen in Otterloo, die ze 't straks gaat melden.... de blijde boodschap in hun plaggenhutten. Door haar. „Ach God, het is te veel ineens, een stroom.... een overmaat van Uw genade.... en ik

ben niet waard"

Ze is zonder het te weten met haar uitgesmeulde lantaarn op den thuisweg. Er is niets dan licht.

□ . □ □

Vóór twee uur in den nieuwen nacht staat voor de slotgracht van de Laar een groep menschen bijeen, schaduwen, in den ijlen nevel .... een licht hebben ze niet. Maar aan het donker gewend, onderscheiden hun oogen de matte spiegeling van het water en er achter in den loggen walmuur de poort tusschen twee ronde torens.

Ze praten gedempt, mannen- en vrouwenstemmen; soms hooger uit het dreinen van een slaperig kind „gaan we nu?" Er komen nog voetstappen.... drie vrouwen en een jongen op holsblokken die klossen over 'tzand. „Och" zeggen ze, „wat zijn we met velen"!... En de anderen „wie had 't ooit gedacht, samen naar de Allerzielenmis?" Dit „Allerzielen" doet hen zwijgen. Eén weet ten laatste: „De arme zielen kwamen veel te kort jarenlang, geen Mis, geen aflaat ooit of ergens"....

„Wij zelf dan?" vraagt een scherpe vrouwenstem „alles komen we tekort.... de Mis en alle Sacramenten. Geen biecht, geen goed woord ook maar.... we vergaan in onze zonden en onze armoei"....

„De kloosters leeg, waar Godsgift werd uitgedeeld, da's 't ergste, de Heeren laten ons hongerlijden."

Sluiten