Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als Elbert z'n eerste vangst in de kaar komt schudden, ziet heer Marten van de donkerglanzige visschen op naar Elbert's stil gezicht. „Waar rijdt hij heen?"

„Naar 'n feest op de I/aar."

Beschaamd turen ze allebei weg op 't water. Heer Marten vergeet z'n net op te trekken, al diept het zwaar neer. Elbert blijft aan z'n vaders zijde en omgrijpt den gladden net-stok.

„Laat mij" Loslatend ziet heer Marten opnieuw, hoe

't beeft om z'n mond en oogen. ,

„Ja, den oudste zijn we kwijt," zegt hij dof.

't Net plonst omhoog en ligt vol op 't gras. Ze knielen er bij neer, tasten met twee handen de spartelende visschen in de kaar. Elbert ziet tranen over z'n vaders baardig gezicht. „Toch zal 't bidden helpen," troost hij toonloos.

Heer Marten geeft geen antwoord, schudt het hoofd, als z'n zoon wijst, of ze nogeens 't net zullen uitgooien, en blijft 'hem, daar Elbert nog tuig en kaar moet opnemen, 'n eind voor op den terugweg, handen op den rug ineen, 't hoofd diep neer. Maar de Vogelhegge uit, waar 't kasteel ineens zichtbaar ligt, bhjft hij staan. En als Elbert hem inhaalt, wijst hij naar den zwaren statigen bouw, die er duister droomend met z'n vier torens en hooge leidaken oprijst uit het breede zonneglanzige water. „En ik die hoopte, dat ons huis 'n bolwerk zou zijn voor de Kerk, 'n hoeksteen!"

,,'t Zal, vader!" 't Slaat uit Elbert's hart op als een snik. Dan gaan ze zwijgend voort, de brug op. Nooit heeft het

huis Elbert zoo geweldig geleken, hij zich zelf zoo nietig

Juist nu hij door Hendrik's spot, ondanks, zich zelf, zoo ruw is teruggestooten in z'n eeuwigen twijfel Priesterroeping, hij! 't Is niet waar, 't zal nooit waar worden

ook niet ginds, waar hij de bezieling hoopte van kloosters

Sluiten