Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woelige verveling bijna niet meer verbergen kan, en hoe lijsje 't hoofd naar links en rechts draait om de gasten te

zien, die eten en luisteren Tot weer Fenne's stem alles

overheerscht, ook haar En ze wil dit. Want wat, als 't aanstonds stil zal zijn, allen weg, en zij alleen? □. □ □

Er is geen dag en geen nacht meer voor haar. Er is niets dan de grijze nevel, en daarin soms Karel's of heer Herman's stem, luchtig vertellend over den jongen Isendoorn, die kwijt is. Dan lachen ze. Fenne kijkt strak. Eens zei ze: „Hij heeft dan toch de muren omver gestooten." Maar Karei aanstonds: „Ik geloof eer, dat Wilt hem in den weg stond". „ w»,

's Morgens zit Anna met maarte Brecht, haar moeders oude voedster, in de stove te spinnen, 't Geregeld klappen van de

tree, het gonzen van klos en rad houdt haar rustig Na

den noen keert ze tot het spinnewiel terug. Maar in den laten dag doolt ze naar den berk bij de gracht, om den avond te voelen komen over de boomtoppen. Met koelte een heel zacht gesuizel komt de avond naar haar hart, en dan wellen er soms wel tranen op en beeft er iets open in haar innerlijk. Dan is ze weer even het jongemeisje dat den jongen jonker liefheeft, en ze weet hoe de pijn, die de dagen door in haar weegt, niets anders is dan de bedwongen drang om hem te zoeken, dien ze niet zoeken kan. 's Avonds als ze vóór den slapeloozen nacht uit het venster leunt, doet het haar kreunen Waarheen is hij gereden? Waar is hij verloren?

Wien het te vragen? God alleen kan 't weten. God moet ze 't vragen. Maar hoe? Zij, die niet anders meer bidden kan,

dan met woorden van vroeger, en dan nog elk woord

pijn

Van middag — heel 't gezin, moeder met Fenne en vader

Sluiten