Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en grijpt haar losse handje met zachten druk in de hare: „Prinsesje/' zegt ze „zou jij beneden op de erkerkussens m'n luit wel willen halen? Zeker bleef ze daar liggen"

□ □ □

Sinds Lijsje ze gebracht heeft, houdt Anna de luit bij zich op de dekens, en van sluimer tot sluimer speelt ze telkens weer haar lied, langzamer bij 't slot, ten laatste 't eenige dat ze herhaalt:

„O Jesu Heer, nu bid ik di

Uit al mijns herten gronde,

Van zonden wilt mij maken vri

Dat's nu en t'allen stonden." Als Lijsje verwonderd luisterend aan haar kussen leunt, hun hoofden dicht aaneen, voelt Anna onder haar blik de gouden lenteklaarte gloren als den aanglans van het wondere,

dat God haar zal geven Dan denkt ze aan de Loosche

kapel. Nogeens daar — ooit — met hem, voor wien ze almaar bidden zal, totdat daar één stroom van genade naar

hun beider hart Ze sluit de wimpers over 't bevend licht.

Soms komt haar moeder, als ze zoo zingt en droomt bij 't snaargetinkel.

„Luister" zegt Anna dan, en ze begint het lied van vooraan. En vrouwe Catharina schudt glimlachend het hoofd om de innigheid van Anna's stem en om haar eigen tranen.

„Is er niets anders meer dan dit lied, hef kind?" vraagt ze eindelijk in een schemeruur, terwijl ze haar hand over Anna's handen op de luitsnaren legt, die diep natonen, „beneden zingt Lijsje het in hal en zaal, in de keuken heeft

Brecht het aan maarten en meisjens geleerd Kom ik in

den tuin, dan is 't of de vogels het ook al kennen. Waarom altijd 'tzelfde lied?"

Sluiten