Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overal het nat uit de wijnpersen voor hun dorst, de oogst van de korenakkers voor den honger van hun paarden, brandende dorpen hun vreugdevuren, en achter hen de uitgeschudde boeren, kruipend in 't stof of bij trossen aan de boomtakken.

Vrij en vlot steeds verder het vendel! Leegioopers, stroopers, plunderaars en brandschatters, schuimers en schenders.... Wat nood! Zoo bruiste de jonge wijn uit de spon en was er geen stelpen meer.... Leven! Voortjagen en alles vergeten... God en zich zelf vergeten — 't lot alleen drijft hen voort door het feest van den oorlog.... de tweehonderdvijftig, den hopman en hèm!.... En wat scheelt hèm Gulik, wat Bohemen, wat Ferdinand den keizer, of Frederik den Prager koning ? Wat Calvinisten, Lutheranen of Papisten ?.... Ja, straks als 't hiervandaan tegen Spinola opgaat, die in Nassau spookt met tweeduizend opweg naar de Palts.... Dat is 'n

doel den Spanjaard te raken! En had hij zijn hopman

geen broederschap gezworen, dan liep hij over naar Caub, aan den anderen oever — die trekt en lokt hem haast niet te weerstaan — daar hebben de Staatschen zich genesteld, daar en bij Keulen.... Mooi Heintje, Maurits' broer, waakbop z'n nieuw fort midden in 't water — Papenmuts in den Rijn — waakt met tweeduizend op de Spinolanen, zal ze straks bestoken in den rug.... Hij met hèn ? Ligt het vaderland hem dan nog aan 't hart? Holland? Gelder? De Veluwe?.... Veluwe en Cannenborg! Spelonk van zwaarmoedigheid, hol van stilte en donker, kerker, waar z'n jeugd lag begraven.... Vaderland? Vaderhuis? Nar! waarom er aan denken? De zon maakt hem duizelig en dwaas.... Dan tóch zon en stilte zoo zerp op z'n lippen en naar z'n leeg hart in-stroomen van weemoed? Maar even hóóg staat hij immers

Sluiten