Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Met taal en blik en vuisten desnoods. Geldersch bloed is vechtersbloed, kanunnik! En ben ik niet op weg, om voor God te gaan vechten?"

„Vreedzamer toch dan met vuisten."

„Enkel met liefde, hoopte ik — maar liefde is kracht."

„Halo!" praamt een barsche stem aan den oever, 't Is de hopman, die zich naast den vaandrig stelde. Achter hopman en vaandrig, stram in 't zadel de schilddragers, dan in twee breede gelederen de musketiers met de vuurroeren geschouderd; en op hun paarden, de rijen beschuttend, de haag der lansiers met spitse penons aan de pieken. Er om en er achter het straatvolk van Bacharach.

De drie bij de verschansing lichten den vilthoed tot een groet en stappen kalm naar de brug, die de schipper uitlegt terwijl de knecht met den kabel aan wal springt.

„Blijf waar je bent — niemand van boord!" dondert de hopman. Maar alsof hij 't niet verstaat, wandelt toe Boecop de brug af, en z'n twee gezellen volgen even bedaard.

'n Gemompel gaat door den; troep en de vaandrig legt de hand aan 't gevest. Maar de hopman vloekt: „Terug."

„Wat wil u?" vraagt toe Boecop bevreemd. „We zijn geen soldaten en hebben geen hopman te gehoorzamen. We zijn vrije reizigers."

„Waar vandaan?" vraagt de hopman en z'n norschheid vervoost reeds.

„Uit Mainz naar Keulen."

„Je naam?"

„Graag en met trots! Arent toe Boecop, Gelderschedelman."

„Geldersch!" een onbevangen jubelroep van den vaandrig. Boecop ziet verwonderd naar hem op. „Spreekt u mijn landstaal?"

Sluiten