Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

argwanend den kring rondziende, want ze staan allen om hen geschaard. Hij stelt hem Anne van Varick voor dan wijzend op Elbert: „Dit is de jongste Isendoorn, de eenige nog."

„Hij lijkt niets op z'n broer," zegt de Zutfenaar, en in een schok zien allen naar hem op.

„Weet u iets van hem?" vraagt Elbert snel. Maar heer Marten, die verdergaat met voorstellen, herkent Anna van Delen met. Vrouwe Margriet noemt haar naam, geruststellend „onze trouwe geloofsgenoote". Dan Willem Simonz „sinds dezen zomer priester op de Veluwe."

„Is 't zoover gewonnen, dat de Veluwe ondanks plakkaten en officieren weer 'n priester heeft? Dat doet hopen Zooals m Zutfen, sinds ik er daaghjks in m'n moeders huis de Mis lees - ongestoord, 't Hoeft dus niet, dat ik u er toe uitnoodig, zooals m'n plan was." !

„Graag zullen we tot Zutfen komen! Meen niet dat heer Willem onze slotkapelaan is. Vandaag alleen hebben we dat voorrecht; aanstonds zal hij tot besluit van z'n verblijf de Vesper zingen in de kapel. Vandaag hier, morgen...."

„Op den Zwanenborg bij heer Puckwijn van Essen," vult hij zelf aan. „Overmorgen hier of daar in 'n stal of op 'n schuurzolder. Dan weer te Duistervoorde.... Soms op 't opkamertje van m'n vaders hofstee. Overal en nergens dus onvindbaar. Jammer, dat het braakland te groot is voor 'n enkelen ploeger. Maar we doen wat in onze macht is.

Sofie heeft de zetels bijgeschoven, en onder 't praten zetten ze zich in wijden kring om de schouw.

Anna zit bleek en stil te wachten, de handen vast ineen. Ze vergeet Lijsje, die pruilig ontdaan, omdat niemand meer acht op 'r slaat, aan haar stoel leunt. Heer toe Boecop ver-

Sluiten