Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geweest!" mompelt heer Marten zich opheffend. „Maar waar is hij gebleven?"

„Hij gaf z'n mantel voor 't lijk van den martelaar. Dat hebben we in 't schip gelegd. Na 'n week heten we 't schip tot Bingen halen. Godfried Thelen ligt begraven in de kerk van Mariêndaal in den Rheingau."

„Maar hij ?"

„Uw broer? — die roeide terug naar Bacharach, zou den dag erna met zijn vendel tegen Spinola optrekken, 't Laatst riep hij me toe: „Groet Gelder en m'n verloren bruid""

„Z'n verloren bruid?" Vrouwe Margriet slaat de handen ineen. „M'n hemel, wie bedoelde hij ? Zoo'n jongen"

Maar nu is 't Elbert, die het gesprek plotseling afbreekt door op te staan „Als heer Willem de Vesper wil zingen"

„Ja, om tijdig op den Zwanenborg te zijn."

Ze staan op. „U hebt 'n onverwachten tegenzanger," biedt toe Boecop zich aan. Ze gaan 't eerst de kamer uit. Sofie volgt voor het kosterwerk. Vrouwe Margriet gaat met Anne van Varick en heer Marten, al pratend. „Kom," zegt Lijsje. Maar als Anna zich wil oprichten, staat daar Elbert, die wacht. „Mag ik den weg wijzen?" ^«wf*

,,'t Is de schuld van de Laar, Elbert," zegt Anna uit haar gedachten, door tranen naar hem opziende. Haar hoofd schudt zacht in onuitsprekehjke droefheid.

Hij begrijpt: „Je zuster? ja, ik wist wel, dat bij van

haar hield.'... Maar daar kon zij zelf en de Laar toch weinig

aan doen En moet jij je dat verwijten, Anna? Ik merkte

't wel. Dat laatste woord van den pater greep je te diep in 't hart." K,

Ze kijkt verwonderd naar hem op. Hoe heeft hij dat gezien ?

„Kom," zegt hij verlegen. „Laat ons naar de Vesper gaan."

Sluiten