Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nooit is hij zóó vroeg in de Vogelhegge geweest. Misschien voor 't laatst nu? Zonderling — hij dien den winter lang dacht, hier den grond te zullen kussen, als hij er zich van losrukken moest — nu loopt hij als 'n vreemde tusschen de boomen die hem zoo ongekend lijken. Hij is een andere dan die bij was — los van al 't eigene, dat hem vasthield. In z'nhart beeft en popelt alleen het nieuwe.

Terug op de grachtbrug komt hij voor 't eerst tot bezinning van uur en gebeuren, als hij in 't open deurvak z'n vader merkt, en aanstonds naast hem vrouwe Arme. Ze schijnen gerustgesteld, nu ze hem zién.

„Neem den schimmel," zegt heer Marten. „Doe den weg alleen langs 't karrepad."

„Niet samen?" Elbert is teleurgesteld.

„Je weet waarom."

„In den lyooschen wagen zou toch geen plaats voor je zijn." „Komt die u hier halen?"

„We gaan te voet tot het Doo," zegt vrouwe Anne.

„Is dat niet te vèr, zoo vroeg?" vraagt Elbert, bezorgd ziende, hoe bleek en huiverig ze daar staat in haar grijzen huikmantel.

,,'t Diefsthéél den weg te voet als pelgrims naar toe Boecop's verborgen kerk."

„Zorg dat jij er vóór ons bent/' beveelt z'n vader. „Treuzel niet!"

Ze gaan. Tegen de brugleuning oogt Elbert hen na. Hij ziet wrevelig hoe z'n vader vergeet, dat naast hem z'n vrouw loopt. Hij matigt z'n wijden tred niet voor haar, zwijgt gebukt. Hém heeft z'n vaders wil ineens teruggedoft in de werkelijkheid. Hij voelt dat de morgen kil, dat hij zelf moe en hongerig is. Hij ziet op tegen den langen troosteloozen

Sluiten