Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer weg.... Brunswijk ? daar hooren we hier genoeg over. Die woedt in de Duitsche bisdommen, zet alle kloosters in lichterlaai en plundert de kerken leeg.... Als ik dat aan vader moet zeggen"

„Karei vertelde, dat hij er forsch uitzag, veel veranderd, 'n Stoer en verweerd soldaat. Maar toch — erg neerslachtig."

„Zei hij dat ? neerslachtig ?.. da's nog 't beste wat je weet . over hem."

Anna ziet hem verrast aan. „Je zegt, wat ik dacht. Van alles bleef me dit 't meest bij."

„Toch zal 't niets anders zijn, dan de Cannenborgsche aard in hem," zegt Elbert na 'n poos, bedrukt weer naar Anna opblikkend. Maar zij: ,,'k Weet zeker, dat 't in hem is, wat we hopen — weerzin tegen 't leven, dat hij leidt."

„Je zegt dat met zoo'n diepe overtuiging," verwondert Elbert, en verschrikt zich bezinnend, wendt ze 't hoofd af.

„In elk geval, gelukkig dat hij leeft," praat Elbert de stilte weg. „Misschien geeft die zekerheid wat licht en opluchting bij ons. 't Is niet te zeggen, wat 'n druk er hangt, sinds den dag dien jij met ons op den Cannenborg beleefde. Vader kan niet meer.... Hij leest, hij bidt, hij loopt soms uren na uren....

Maar 't leven is hem 'n last — ik zie 't wel — hij lijdt de

dood is z'n laatste hoop."

„Maar hij heeft jou toch."

„Mij ?.... Een die hem den ergsten stoot moest geven — den genadeslag — omdat ik geen priester kon worden. Dat mag toch met, als je heelemaal geen roeping hebt."

„Zoo jammer!"

Ontsteld door dat korte woord van haar, komt hij heftig; „Jij moet dat niet zeggen." Ze schokt op. „Maar"

Sluiten