Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd weg van zich zelf.... Hoe begrijpt hij Hendrik ineens! dit was 't, dit, wat dien ander dreef en drijft Hoe doorziet hij hem plotseling en hoe diep haat hij hem tegelijk. Want al zijn ongeluk is alleen door hém, alles van

jaar na jaar, en nu dit einde want hij zal naar die verte,

naar die zee....

Dan ziet hij op en is verwonderd hier te loopen. — Kerstnacht? Vrede? Jezus? Den avondlang, toen ze in de Loosche torenkamer tusschen de anderen samen waren, was hij toch rustig. Waarom nu ineens wanhoop en opstand en haat? Hij die vanmiddag zoo gelaten aan Anna beloofde, met haar te zullen bidden en lijden.... Wat woelt en joelt er in hem ? machten van hartstocht, die hij nooit vermoedde? Waarom ook niet de troost van die Kerst-mis! Waarom gunt God hem niets ?...

D □ □

Als hij eindehjk terugkomt op het Loo, lokt de schijn uit de kelderraampjes van den hnkervleugel hem onder de poort de zijdeur in, die toegang geeft tot de lage keukens. De wazende warmte der fornuizen slaat hem tegen met een gonzen van stemmen en de geur van warme brij en versch brood. Achter de open tusschendeur blijft hij tegen den muur leunen. Tusschen de wanden ter weerszijden van de pijlers, die het laag gewelf steunen, zit het volk in den diepen krochtachtigen kelder opeengehoopt, 'n Rosse schijn nevelt uit de twee beugellantaarns over hun hoofden.

Bedeesd achteruit op de banken, tasten ze met hun stronkige handen naar het brood of den dampenden melknap vóór hen. Hun oogen ghmmen in schuwe gretigheid naar den overvloed — sommigen praten, lachen stomp, kauwen met stug-malende kaken, smakken diepe slokken uit hun houten

13

Sluiten