Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nap, reiken ze dan de kinderen, die bloo hunkerend tegen hen aanleunen.

Bij de keukenschouw laten Anna en Sofie telkens uit de ketels de groote houten kannen door de maarten volgieten. Dan gaan ze weer den kelder rond om de nappen te vullen.

Elbert leunt aan den deurpost, ziet ten laatste enkel Anna, hoe ze langs de rijen gaat, in argelooze goedheid overbuigt tusschen de aanzittenden, en fijn en blank achter hun grauwheid, de hand legt op hun schouder, op het hoofd van de kinderen, die ze elk een woord of een lach ontlokt.... Aan allen deelt ze van haar liefde. Alleen naar hém ziet ze met. Toch is er hier geen zoo arm als hij, geen één....

„Elbert — kom." 't Is z'n vader.

„Wachten we niet?"

„Waarop?"

„Als Willem Simonz nog kwam"....

„Onzin. Die komt niet meer. Nooit meer. Die is ons natuurhjk afgenomen als alles en ieder. De laatste".......

Zonder iemand te groeten gaan vader en zoon zwijgend op weg naar huis.

„Goed," denkt Elbert. „Ik zal worden als hij, stug, hard, gesloten, me zelf beheerschend." Hij meet z'n stap naar dien van z'n vader, hij loopt als z'n vader met stootig gebukt hoofd en gebalde vuisten, en er is geen enkel woord in hem, geen enkele gedachte, die zich nog loswoelt uit de verstarring van z'n hersens, 'n Band van ijzer zit hem om het hoofd, en van ijzer wil hij voortaan z'n hart. De sneeuw knerpt onder hun stappen. De kou bijt. 't Hout kraakt. Omhoog tusschen de sneeuwruige takken sparkelen de sterren, haar licht splintert en ghnstert naar z'n oogen stekende naaldfijne flitsen.

Sluiten