Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Echt! De menschen zijn allemaal naar de schuur _ge-

loopen. Ik ben zoo bang!"

„Hier blijven!" gebiedt Anna, 't kind bij den arm grijpend. „Ga ze binnen geen schrik aanjagen, 't Zal zoo erg niet zijn."

„Durf je dan nog buiten?"

„Even kijken! En jou laten zien, dat angst te dom is."

,,'k Ga mee Bij jou durf ik alles Daar! Zie je

nu wel! Vv, , "

Ze staan op het bordes, en haar handen grijpen ineen, 't Plein is leeggevaagd. De laatsten dringen de schuurpoort in. Alle schapen en geiten en ook de koeien hebben ze mee. Alleen de sleeën staan er nog, de rolwagens met bultende zakken: één omgevallen, heel 't armoedje van huisraad, teilen en een pan, het spinnewiel, een korf met duiven over de sneeuw. Een schurftige oude hond. dwaalt er omheen. En onder den poortdoorgang staat Berents te gebaren tegen twee ruiters, wier helm en kuras in den schemer van 't gewelf den afschijn van de sneeuw weerschitteren Achter de brug aan een boomstam vast, stampen hun paarden, zwart in den boogdoorkijk, die het glansnevelend sneeuwbosch omhjst.

„Wie zegt, dat het Spanjaarden zijn ?" stelt Anna zich zelf

en Lijsje gerust: „Misschien wel Karei! 't Prinsenleger

is immers in Utrecht." En een andere onrust jaagt haar hart op. Maar Berents komt over 't plein, voldaan grinnikend: „Ze

hebben ooren naar de sauvegarde, jonkvrouw 't zal

lukken."

„Dus tóch Spanjaarden?"

„Wat anders? — Vierhonderd dukaten willen ze. Dan is de Laar vrij." Pratend gaan ze mee door de gang, Lijsje

't eerst de stove in „Vader, geef maar gauw 't geld.. Daar

zijn ze!" — Berents doet plechtig kondschap.

Sluiten