Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Elementen!" vloekt heer Herman „de uitzuigers! Zijn ze binnen?" „Ih de poort." „En de brug?"

„Neen. Er was geen tijd. 't Volk stond me in den weg."

„Haal toch 't geld, vader!" dringt Lijsje. En Fenne: „Help ze de Laar af, zoo gauw mogelijk!"

„Vierhonderd dukaten " Grommend gaat heer Herman

de deur uit; Anna stil naar de keuken, waar ze haar moeder 't nieuws toemompelt. Vrouwe Catharina staat doeken te

warmen voor den zuigeling „Is dat waar?'.' schrikt ze

heftig, en ze werpt de moeder de doeken toe, om de stove in te ijlen en haar man na.

Anna neemt de zorg over, schenkt de gewarmde melk uit en duwt de oudjes hun nap in de handen, dat ze dicht bij 't vuur kunnen blijven. Reeds hoort ze haar vader terug, moeders stem: „Ga nu gauw, Berents, —hoe eer dat afgehandeld is, hoe beter," en tegehjk rent Berents de keuken door, langs haar heen met de geldbeurs in de hand op de buitendeur toe, die hij openrukt en achter zich dichtsmakt. Dadehjk heer Herman de keuken in: „Waar loopt ie heen, de schurk?"

„Hij zal achterom, door den tuin en over 't grachtijs vlugger bij de poort willen komen", sust Anna.

„Is dat dan 'n korter weg? Onzin " En verbijsterd zien

ze door 't venster hem dwars de gracht over hollen, 't bosch in aan den overkant. Meteen komt er groot gerucht in de stove — barsche stemmen. — Vrouwe Catharina, Fenne met alledrie d'r kinderen, Lijsje stuiven de keuken in, bleek bestorven. „Daar zijn ze — hemel, hemel." — Lijsje rukt de buitendeur open. „Kom dan toch...." „Blijven!" gilt haar moeder, „misschien staat er 'n heele troep buiten."

Sluiten