Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vullen. En terwijl de avondzon purper gloort over de dieptonige wandtapisseries, en de zweetende koppen der drinkers nog rooder doet gloeien, worden de teeder ruischende dansliederen die uit de hal tonen en tinkelen, telkens overvlaagd door het ruwe gejoel binnen en het kermisgedruisch buiten, geklinkel, getrommel en geschal verdoft door het woelige gejool van stemmen, voetgeschuifel en het ruischen van den aanzwervenden nachtwind door de hndekruinen.

En de gasten schuiven van hun borden weg, leunen loom, de armen wijduit over stoelleuning en tafel. Van Maeren gooit z'n plooikraag naar een hoek, drie mikken hun hoeden opeen naar de potpourri's onder de schouw. Droste, nog nuchter en onvermoeid, begint schrijlings op z'n stoel paard te rijden achter de zetels der anderen om, tot één, lui uitgestrekt, hem onverhoeds een stamp geeft, dat hij met stoel en al omtuimelt en op den grond hgt te spartelen en hulp te roepen als een drenkeling. Op een wenk van Hendrik schieten lakeien toe om hem op te hijschen, en hij laat zich naar 't venster sleepen, al kermend „lucht, lucht, lucht!" Maar daar eensklaps in een andere rol, springt hij als een harlekijn drié yoeten hoog en klapt in de handen.... „Kolonel, ik wil naar 't apenspel!"

„Bravo! Ja, daar hoor je thuis." — „Jullieevengoed.... Kom, de kermis op, met de heele bende." Ze stommelen op, stoelen wankelen, staande drinken ze het laatste kliekje uit hun bokaal, roepen om meer, twee beginnen er tegelijk opnieuw te toosten.

Hendrik is naast Karei van Delen gaan zitten, z'n arm over diens stoelleuning.

„Eaat ze maar gaan — wij bhjven — jij en ik hebben tenminste ons verstand bewaard/'

Sluiten