Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo moet het! Maar wat .kunnen we met z'n twaalven tegen twee vendels?" „God helpt "

„God geve ons raad en bezinning." Maar als ze op den zolder de mannen achter de haakbussen zien staan, door de schietgaten de wegrijdenden naspiedend, gereed om hun de eerste lading achterna te jagen, heft Elbert ontsteld de handen op. „Niet doen!"

„Spaar kruit en kracht tot meteen," zegt z'n vader. „Laat ze 't kanon hier stellen. Laat ze den haard aansteken"voor

het werp vuur ."

„Vader" weerhoudt Elbert z'n verdere bevelen. „Wat zal 't kanon helpen, hier of achter?.... één meterbreed van een der vier gevels en der vier torens kunnen we met z'n twaalven verdedigen.... terwijl ze beneden 't huis omsingelen.... om waar 't hun veilig is, in een vlet de gracht over te steken en de kelders binnen te dringen, 'n Bloedbad daar onder

het volk — brandstichten, moorden, plunderen da's

hun oorlogsrecht, als ze hier beschoten worden door onze looze bezetting.... Ik heb tot nu al uw verlangen gevolgd, vader.... ik hoopte, dat het 'n spel zou zijn om u gerust te stellen.... meende vast, dat ze ons links zouden laten liggen.... maar nu 't er opaan komt, moet ik me verzetten tegen wat u wil."

„Laffe overgave is verraad."

„Laat ons eerhjk onderhandelen met hen."

„Ik zeg je dit: ik wil zelfs niet in schijn een verrader zijn.

Zij hier binnen ik eruit!"

„Goed, we capituleeren. We eischen voor de noodgedwongen overgave, dat ze ons en al 't volk, dat op ons vertrouwt, den uittocht laten."

Sluiten