Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En ik wilde er liefst nooit meer komen. Ik heb daar geen aard meer,'sinds vader er stierf. Ik heb er geen rust. Maar waar wel?"

Er beeft een diepe treurigheid in vrouwe Catharina's stem en ghmlach, die toch niet heel en al verduisterden. Ze ziet Lijsje liefkoozend aan.

„Ik weet het, en u hoopt het," streelt Eijsjes stem, „laat de oorlog eenmaal over zijn.... als er eindehjk weer wat vrijheid is Er is een goede Herder, moeder, voor verdwaalde

schapen als wij."

„Het duurt al te lang...."

„Zoo gauw er maar 'n priester komt."

,,'tLeven gaat voorbij met dit wachten.... in plaats van het geluk, zal de dood onverwacht komen. Zooals bij vader. Zooals voor Sofie d'r moeder. Heb ik beter verdiend? Voor

mezelf hoop ik niets meer wel voor jou, kind. — Je bent

jong en onschuldig."

Maar de deur gaat open, Anna en Sofie komen, en achter haar Dirk, een stoere dertigjarige, die z'n arm om Elbert's stalen schouders heeft gelegd....

„Wat wissel van leven, wat grooten strijd Heeft hier een Christenridder altijd!"

dreunt Dirks vroolijke stem de ronde torenkamer vol, terwijl' Elbert zich over vrouwe Catharina's hand nijgt en dan ook Ifjsje groet, die schalks lacht en tegehjk bloost om z'n eerbied. Als ze daarna in een kring om vrouwe Catharina's zetel zitten, haalt Elbert die het kruiszwaard tusschen de knieën plantte, het perkament onder z'n kuras uit en leest de overgave van den Cannenborg, de sauvegarde van het Loo, de voorwaarden en de onderteekening.

Sluiten