Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkel voor God. Wist ik dat niet zeker, dan zou ik zelfs niet durven denken, wat ik nu doen zal "

„Enkel voor God" herhaalt Elbert, eerbiedig opziende naar haar, die daar zoo rustig en onaanroerbaar staat, sterk omdat ze geen menschelijke verlangens meer heeft. Hij begrijpt dat ineens — en 't is of haar rust in hem overgaat. „Christus' bruid?" prevelt hij, en onbevangen antwoordt ze: „Ja — jij bent de eerste aan wien ik 't zeg — maar zoo gauw 't voluit kan, zal ik een klooster zoeker."

,,'t Is je roeping," moet bij instemmen. „Kende ik de mijne zoo zonder twijfelen!"....

„Die zal je worden geopenbaard, vroeg of laat, zooals aan mij."

„Bid ervoor"....

„Zou ik niet?...."

„Heel je leven was 'n offer aan ons".... „O nee," weert ze af, „ik doe alleen wat moet.— Nog dit laatste voor Hendrik." „Hoe zal 't kunnen?" „God zal raadschaffen."

,,'t Eerste is nu — ja, jij naar den Cannenborg en ik naar de ziekekamer", zegt ze kloek. En na hun groet gaat hij bemoedigd den morgen in. Kan hij niet even sterk zijn als zij ?

□ □ □

IndeCannenborgschehal staan ze te praten als twee vrienden. Graaf Jan is niet de veroveraar meer en Elbert evenmin de verjaagde. Aan plicht* en recht is gisteren voldaan, vandaag zijn ze enkel nog geloofsgenooten die spreken over het heilig recht van een doodzieke op priesterlijken bijstand. — En nu er een zwijgen valt tusschen hun woorden, zien ze beiden op naar het Moeder-Godsbeeld, dat daar op z'n oude plaats

Sluiten