Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Domine, non sum dignus.... De priester komt binnen met de ciborie, zegent ken en reikt de Teerspijze.

□ □ □

Na hetheiliguur bHjft de reine verbHjdingleven in het gouden Hcht, dat heel het huis vervult. En nu ze om den disch zitten aan het feestehjk ontbijt, dat de jonge vrouwe van het Loo daar haastig Het opdienen, zijn ze in een opgetogenheid, die hun spraak vlot en vrij maakt en die hun woorden doorzont.

Vrouwe Catharina heeft den Nassauschen graaf op de eereplaatst naast zich. Hij heeft haar verteld over de abdij van Poitiers, waar hij op z'n tocht van het Parijsche koningshof naar het Engelsche, zijn nicht Flandrina vond, de dochter van Wülem den Zwijger, abdis van het HeiHg Kruis. Hoe zij, door aUes wat van haar uitging en wat om haar was, door haar vrome woorden ook en vooral door haar afscheidsgeschenk, de eerste beweging in z'n hart wekte naar het Geloof van hun voorvaderen.

En niet vrouwe Catharina, maar wel uitbundig Lijsje, die met stralende oogen toeluisterde, vraagt: „Dat afscheidsgeschenk, heer graaf wat dat wel was?"

En terwijl iedereen aan tafel lacht om Lijsjes nieuwsgierigheid, haalt graaf Jan onder z'n pourpoint een klein leer en boekje te voorschijn en reikt het haar ernstig over: „Dit."

Het is Franciscus van Sales' Philothea Lijsje leest den

titel, bladert de perkamenten bladzijden om. „Heerlijk" zegt ze opziende naar haar moeder. „Zoo'n klein boekje zóó kostbaar En daarginds dat klooster met zoo'n wijze, heihge

abdis."

„Daarheen!" knikt vrouwe Catharina haar bhj toe. Maar Lijsje kijkt van haar weg: Anna en Elbert komen

Sluiten