Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binnen. Ze ziet naar Elbert, verwonderd om den glans die bem van het voorhoofd en uit de oogen schijnt.

„Heer Wiltheim" begint hij dadelijk tot den Jezuïet, „een weldaad was uw komst. — Die heeft wonderen gewerkt, 't Is niet alleen de zieke, die getroost en gesterkt werd — genezen zou ik bijna zeggen, — want hij heeft ons als verplegers ontslagen en verlangt, schijnt het, naar eenzame nabetrachting."

„Niet meer dan Gods knecht ben ik," antwoordt de priester op dien dank.

Maar graaf Jan is opgestaan. „We hebben op u gewacht, jonker van Isendoorn. Sta toe, dat we afscheid nemen uit

dit vroom en gastvrij huis Onze tijd is kort. Want laat

me op 't einde dit bekennen, in dank voor uw broederschap: Wij ontruimen den Cannenborg vandaag nog, om ons achter den IJsel terug te trekken. Want we deden uw huis aan op onzen terugtocht. Het oorlgsdoel is weg, nu Den Bosch zich heeft overgegeven."

„Den Bosch!" roept Stepraedt, waar alle anderen verbluft zwijgen. „Sinds.wanneer?"

„In 't begin van de week kwam 't bericht bij ons. Ik weet niet meer, dan dat uw Staten-Generaal van Utrecht naar het Vuchtsche legerkamp zijn getrokken om met mijn neef

Frederik Hendrik te overleggen over de voorwaarden

u ziet mij onverslagen en toch overwonnen! Maar uw vaders huis, jonker, blijft ongeschonden van morgen af weer voor U. Alleen zullen we 'n deel van den oogst van de zolders moeten meenemen Brood is schaarsch voor onze troepen, omdat de Veluwnaars al den korenvoorraad naar de steden brachten en de molenspillen vastzetten "

Ze lachen. Eerbiedig dan, nijgen ze bij z'n hoofschen af-

Sluiten