Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moedigen opslag van z'n oogen, een echte Hollander met z'n blossig, even gebruind gezicht. Statig te paard, houdt hij den veldheersstaf, en de roode pluimen van z'n helm hangen neer over den raggen kantkraag, die vandaag den halsberg vervangt. Een drom van Fransche, Engelsche en Duitsche hertogen, ridders en edelen, is achter hen drieën geschaard. — Links van de tent zijn het de Staatsche officieren en gevolmachtigden, de afgezanten der provincies, der steden en der Indische compagnieën om 's Prinsen onderbevelhebbers heen, waarbij Amalia's broer, de graaf van Solms, Willem van Nassau en Ernst Casimir, die kwartier had te Hintham; de heer van Brederode en ook Otto van Gent, die Wesel zoo te rechter tijd veroverde. Onrustig trampen de paarden van Amalia's stralende wachters....

Tot na een trompetschalde stadspoort openwijkt: Oranjes ruiterbende, die vóór de brug wachtte, stelt zich in beweging,

de twee Staatsche hoplieden voorop als wegwijzers naar

het doel, het verre Diest. En uit den schemer van het poortgewelf dringt het kornet arquebusieren te paard; somber blikkend onder hun stormhoeden trekken ze langs, dicht gevolgd door een vendel voetvolk, stram stappend met de hellebaarden geschouderd.

En reeds komen de zwaarbeladen wagens naderwankelen, de een na den anderen door ploegpaarden, door ossen, door muilezels getrokken, oogst- en ladderkarren,. Staatsche wagens die de Prins uit de kampen zond, en ook hondenkarren en sleden, hoogbestapeld met de tilbare have der uitgedrevenen, met huisraad, met zakken en kisten vol. Huifkarren

met vrouwen en kleine kinderen, met zieken en gekwetsten

en naast de voerlui oude mannen en jongens, zorgelijk met hun bundels en pakken, de huishond druilig tusschen hen

Sluiten