Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TWEELINGBROEDER

Nu 'k weerkeer van den dag, is dit mijn werkersloon: Het uur is stil en laat, mij is alleen de woon. En zie, als altijd is, neemt weer, voor 't maal, met wit Met glans van zilv'r en glas er 't dekkend kleed bezit. Ik tel en vind voor ons geen plaats te veel, te min... En toch — mijn hart is ver •— een man treedt peinzend in: „Hoe is het, dat gij komt, alsof een eigen stoel In onzen kring u wacht ? Uw blik is hoog en koel. Of zult ge, gast vandaag, meezitten in den kring, Die ons, verspreid, toch steeds aan 't eind van de arbeid

[ving?"

Hij ziet mij aan en spreekt, en wijl zijn klare stem

Al naadrend breekt en floerst, zie ik niets meer dan hem.

„Beminde u niet hiervoor een broeder, die u, eer

Dan ander, broeder was ? Want broeder was hij méér.

Droeg niet uw moeder hem en u gelijk en werdt

Gij niet met hem gelijk gescheiden van haar hert?

Was niet uw aangezicht en 't zijnë één gelaat

En vondt gij niet te zaam aan ééne boezem baat?

Totdat ter kwader uur uw pad van 't zijne boog,

Omdat een andre lach u voor zijn lach bedroog.

Wel was hij nimmer ver, want langs den eendren stroom

Ging zijne en uwe weg aan linkre en richter zoom.

Totdat gij beiden kwaamt, waar alle water endt,

Omdat naar ééne bron zich alles wederwendt.

Neen, nimmer was hij ver, maar nimmer ook nabij,

Tot gij u ziek en moe in 't bed der golven lei.

Toen redde hij uw lijf uit branding en uit vloed

En bracht u naar de kust: gij hadt genoeg geboet.

Dan ging hij heen, maar eer hij u voor goed verliet,

Badt gij: „dat later uur ons weer te zamen ziet?"

Zie hier dan, broeder, 'k kwam; al is mijn aangezicht

Van uw gelaat vervreemd, is niet het hart gezwicht?"

—• Hij zwijgt. Als altijd is, neemt weer, voor 't maal, met wit

Met glans van zilv'r en glas er 't dekkend kleed bezit.

Sluiten