Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VROUW

Zij vond hem zitten in den zonneschijn. Zóó manlijk schoon zag zij hem nooit tevoren. En in haar handen bracht ze, rood als wijn, Hem, wat zijn zinnen siddrend zou bekoren.

Zij wou zijn eigen en zijn vrouwe zijn En hem met heel haar wezen toebehooren; En als zijn ziel zou branden in dien pijn Zou zij zijn kreten in haar kussen smoren.

En in jaloerschheid van haar minnend hart, Dat hij zou deelen al haar hoop en smart, Verzonk haar twijfel in een bange zucht.

Zij brak den appel in haar sterke handen En zag zijn mond en zijn ivoren tanden Begeerig bijten in de roode vrucht.

Sluiten