Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V1ZIOEN

Een wiekslag zong; gij dreeft op eigen zwingen. Als een bazuinstoot steegt gij steil en stout. De maanbloem geurde en bloeide in blauwe kringen, De loutre sterren ruischten van hun goud.

Eens zocht ge een woord; tóén viel het van uw lippen

En t was een glimlach, die een God verstond.

Gij naamt de nevels bij de azuren slippen

En vondt een naam die kuste u op den mond.

En om uw lokken, als van roode rozen Hing zich een bloesemgeur die nimmer woog, Die van uw handen dropte en daar bleef blozen. Waar uwe voet naar zilvren halmen boog.

Toen hongerde u! Gij aat den zweem van honing En 't zoet aroom van vruchten was uw spijs; Het baldakijn der kimmen was uw woning En voor uw oogen bloeide 't paradijs.

Was dit een droom? Maar droomen is gelooven; En hoe 't visioen als morgenrood verging, Uw oog bewaart de glans der hooge hoven En om uw mond glimlacht herinnering.

Sluiten