Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE GEDEELTE.

I

Het sluitingslof van het Veertiguur-gebed was geƫindigd. Als 'n damp, die optrekt, verijlden zich de wierookwolken tot blauwige nevelstrepen, bleven nog 'n wijl hangen rond het koperen kruis van het hoogaltaar, stegen en stegen om zich eindelijk te verliezen in de schaduw-vale koepelwelving der oude Kerk.

De koster was al bezig de kaarsen te dooven en door de gangpaden in het schip drongen, opgepropt in den langzamen schuif el-loop, de geloovigen naar buiten. Maar nog galmden boven hun hoofden in trompettende tonen de plechtige, majesteitelijke zangen van het orgel, als was voor den organist de dienst nog niet geƫindigd.

Met forsche grepen van z'n magere, maar gespierde handen in de vergeelde, uitgesleten toetsen liet Siegfried Rumpke het machtige, oude orgel zingen, wat z'n ziel hem voorzong, terwijl de koristen geleidelijk vertrokken, of, over de koorbalustrade leunend, als nieuwsgierige toeschouwers bij 'n optocht, de weg-stoetende kerkgangers naoogden en met ingespannen getuur naar bekenden zochten in de rijen.

Als op eigen terrein en voor de anderen daar beneden toch onhoorbaar, praatten ze oneerbiedig-luid, maakten grapjes over dezen en genen; 'n enkele, zich gereed makend om naar beneden te gaan, stak 'n sigaar op in 'n hoekje bij het orgel. En ze gingen met nauwelijks 'n groet voor den, in z'n orgelspel verzonken organist.

Alleen meneer van Liemd, de 'n beetje ijdele directeur

Sluiten