Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderbrak, 'n Onbekende stem, hoorde Siegfried onmiddeUijk, terwijl hij de deur achter zich dicht liet flappen.

En naderbij tredend herkende hij ook niet aanstonds den grappenmaker, die, opgaand in z'n verhaal, als comedie speelde voor z'n geboeid gehoor.

Het was 'n jonge man van in de twintig met 'n opvallende zwierigheid en eenigszins verwijfde verzorgdheid in z'n kleeding. Maar z'n schrandere, fijn besneden kop met de tintelende, donkere oogen, was een en al geestige bewegelijkheid. Toen, aan 'n typisch trekken van z'n wenkbrauwen en z'n hoogen, aanstekelijken kir-lach, herkende Siegfried hem opeens: Otto van Rode. En hij zag hem plotseling vóór zich gelijk hij hem als leerling van 'n hoogere klasse op school had gekend: den eenigen zoon van den rijken notaris van Rode, den verwenden jongen, die iedereen uit de hoogte behandelde en hoe begaafd ook, te lui was om iets uit te voeren. Na jaren van afwezigheid in 't buitenland, sinds den dood van z'n vader, was hij op-eens weer opgedoken. En in den aard veranderd leek wel. Want nu achtte hij zich blijkbaar allerminst meer te hoog voor de menschen, waarop hij in z'n vlegeljaren had neergezien. Integendeel ontwikkelde hij 'n joviale vriendelijkheid, die hem bizonder goed afging en de anderen leek te vereeren.

Eenigszins schuwig-bescheiden als 'n zeldzame societeitsbezoeker aarzelde Siegfried zich te zetten bij den luidruchtigen kring, waarin van Liemd reeds aangeschoven was. Doch daar bemerkte hem van Rode en lenig veerde hij op uit den fauteuil, waarin hij nonchalant-behagelijk neergevlijd lag, strekte over de hoofden van anderen heen hem z'n hand toe ter opgewonden begroeting.

„Wel daar heb je zoo waar Rumpke ook. Dag kerel, hoe vaar je? Je had mij niet herkend hè? Nou, ik jou

Sluiten