Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

Eindelijk had het voorjaar z'n eersten, windloozen zondoorjuichten dag gebracht. Den dag, dien de dokter verlangd had, vóór hij Thilde toesteiimring wilde geven om naar buiten te gaan. Want het kuchje, dat maar niet slijten wou en de lichte verhooging iederen dag maanden tot voorzichtigheid. Al had hij de patiënte lachend geplaagd met haar onverbeterlijkheid, met tante en Siegfried had de dokter ernstig gesproken. Er was nog wel direct geen reden tot zorg of ongerustheid, maar Thilde was niet sterk en ook moesten ze er rekening mee houden, dat, in haar moeders familie, tuberculose herhaaldelijk was voorgekomen, haar moeder zelf daar jong nog aan gestorven was. Hij had bij. 't onderzoek 'n klein plekje aan de long ontdekt, dat hij daar liever niet gevonden had. Doch het was Goddank nog miniem. Ze waren er bijtijds bij. Met rusten en versterkende middelen kwam het stellig terecht.

Aanvankelijk had Siegfried die mededeeling wel even ontsteld en 'n week lang had hij zich uitgesloofd in hartelijke zorgzaamheid voor z'n meisje; maar daar de zieke opgewekt was en, behalve het hardnekkige kuchje en af-en-toe de verhoogde temperatuur, niets den indruk van ongesteldheid maakte, suste hij gemakkelijk z'n eerste bezorgdheid. Dokter Van Baarn was 'n bekend zwaartillende, ouwe zeurkous, zoo'n hoest moest slijten en zou dat zonder twijfel, als de lieve lente er weer was.

Sluiten