Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik had er zoo op gevlast, op onze eerste wandeling, na zooveel ellendige weken. Ging ik tenminste vandaag niet vóór freule van Rode?"

„Natuurlijk ga jij vóór, dat spreekt toch van zelf kindje", probeerde hij nu weer te troosten, z'n stem 'n diepen, vertrouwelijken klank gevend. Maar ik heb je al 'ns meer gezegd, als ik je schijnbaar verwaarloos, moet je dat altijd maar in verband brengen met het groote werk, dat ik onder handen heb. En daarvoor moet ik al 'ns wat doen en laten, wat ik eigenlijk liever niet deed, begrijp je wel, hè? M'n omgang met de van Rodes

bijvoorbeeld ik heb de menschen noodig, maar je

snapt toch, hoop ik, dat ik niet zoo kinderlijk ben om me daar verschrikkelijk vereerd door te voelen."

Hij maakte 'n spottend gebaar, z'n donkere oogen glunderden en hij gaf Thilde 'n kneepje van verstandhouding in den molligen arm. Z'n meisje had de tranen weer fluks weggewischt, om haar lippen vleugde opnieuw 'n glimlach, maar haar oogen bleven star-droef: ze voelde bij intuïtie, dat hij loog, dat hij bezig was z'n doen en laten te omwikkelen met 'n warnet van onwaarheden, dat voor haar z'n plannen moest verbergen.

Tante Cato had niets meer gezegd; haar dunne lippen waren stijf opeen geperst tot 'n smalle kerf, die energiek lijnde onder den rechten neus; heel haar hoekig gezicht was verknepen van innerlijke verontwaardiging. En opeens zei ze met 'n vreemd-klinkende, harde stem:

„Het is beter, dat je niet te lang blijft zitten, Thilde. Wanneer jullie nog 'n parkje om willen loopen, dan wandel ik kalmpjes naar huis. Of heb je misschien geen tijd meer, Sieg? 't Kon zijn, nietwaar?"

Siegfried, zonder op de sarcastische vraag te antwoorden, was al opgesprongen. De aanwezigheid van tante

Sluiten