Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 'n moederlijk verwijt en Siegfried voelde, dat bij nu alles zeggen moest, dat hij zich geheel bloot moest geven, dat tegenover deze reine ziel huichelen 'n afschuwelijkheid was.

En in-eengedoken in z'n stoel, de oogen naar den grond gericht, de handen krampachtig saamgevouwen vertelde hij zonder terughouding, met 'n vreemd smartelijk genot in z'n zelfvernedering alles uit de korte, wild-bewogen periode van z'n artisten-bestaan, z'n roekeloos, blind voortjagen in den wedloop om eer, rijkdom, zingenot, geluk, alles vertredend wat hij als hinderpaal in z'n weg had gezien, om ten slotte met bitterheid z'n droef ontwaken uit den roes te bekennen.

Het was 'n lang gesprek, dat in de stille kloosterlijke kamer werd gevoerd, waarin de zachte ernst van den priester wisselde met de hartstochtelijke heftigheid van de gefolterde ziel van den jongen musicus. De tijd verging en ze merkten het niet. Over den verwinterden tuin daalde de avond. De schemering klom als 'n zee van grauwe nevels. In de kamer losten zich de vormen op, alles vervaagde. Alleen de bleeke gezichten der beide mannen schimden nog op in de aanwarende duisternis en in 'n hoek vonkte stil 'n devotielichtje, dat 'n karmozijnen gloed legde op de beeltenis van het H. Hart. Toen, als 'n maning tot 't avondlijk gebed, galmde de Angelusklok de driemaal drie kleppingen over het stille Dachau. Het gesprek stokte en kapelaan Grabinger stond op. De geloovigen wachtten hem voor het Lof. Nog eenige minuten en Siegfried stond buiten op het kerkpleintje, waarover als geluidlooze fantomen donkere gestalten van kerkgangers op het godshuis toeschreden. Hij trad terzijde en leunde tegen 'n muur. De laatste woorden van kapelaan Grabinger suiselden nog in z'n ooren.

Sluiten