Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze glimlach, zonder 'n zweem van de gewone superioriteit of verborgen hoon, was Siegfried nieuw.

„Waarom vraag je dat zoo?" was de rustige wedervraag.

„Nou, ik weet niet.... Maar me dunkt: je ziet er zoo bezadigd, solide zou ik bijna zeggen, uit".

„Vind je?" De glimlach zwol tot 'n helder-klinkend, gelukkig lachje. „Nou ik zal 't je dan maar gauw zeggen. De heer'van Rode is bezig afscheid van de wereld te nemen".

Iets van den ouden spotter kwam toch weer even boven, maar zonder het sarcasme. En Siegfried in den schertstoon doorgaand:

„Dus de heer Van Rode gaat in 'n klooster .... tenzij hij met zelfmoordplannen rondloopt".

„Zooals je zegt: hij gaat in 'n klooster".

Met 'n sprong was Siegfried overeind. Hij voelde z'n wangen als in schrik verstrakken, z'n hart ineenkrimpen of het door ruwe vingers omnepen werd.

„Maak geen grappen, kerel", viel hij ongemotiveerd ruw uit, „ik ben niet in de stemming om aardigheden aan te hooren".

Hij hoopte, dat van Rode schertste nochtans. Want de niet te miskennen mogelijkheid, dat z'n vriend de waarheid sprak — en duidde niet alles daarop in z'n houding? — sloeg hem met 'n gevoel van hulpelooze verlatenheid en folterende wroeging. Het was hem, of hij plotseling alleen stond met z'n zondig verleden;'of hij bezwijken ging onder de verantwoordelijkheid daarvan, nu z'n medeplichtige hem ontviel; maar vooral, vooral schroeide in z'n ziel 'n verontrustende naijver, dat van Rode misschien den moed had gehad tot den stap, waartoe z'n brave, eerlijke vriend Grabinger hem met eindeloos geduld en zachten overredingsdwang

Sluiten