Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARDJOENO en WELIRANG

AAR is iets zeer eigendommelijksch in den vorm en het wezen van een vulkaan, vooral van een tropischen vulkaan, iets, dat zoo geheel anders is dan wat het wezen uitmaakt van een Montblanc, Monte Rosa of Finsteraarhorn. Dat zijn toppen van gebergten, boven welks breeden, hoekigen

onaeroouw zij uitsteken als witte pyramiden met scherpe graten en zwartgevlekte wanden. Of wel ze rijzen met hun flanken uit diepe dalen op, naast en tegenover elkaar; voorbergen verbergen hen voor de vlaktebewoners en moeilijk is het om door het dal tot hun voet te naderen. Een veel lagere berg, aan de overzijde van dat dal, verschaft vaak een uitzichtspunt, waar de reiziger den reus uit groene diepten tot verblindend witte hoogten ziet optorenen.

Hoe anders is de typische Javaansche vulkaan, een Tjeremai, een Soembihg of Lawoe!

Uit eeuwig groene vlakten begint hij op te stijgen, eerst bijna onmerkbaar, allengs steiler, maar steeds geleidelijk, hooger en hooger tot een top, die door grillig gekartelden vorm of door een rookpluim van zijn inwendige krachten getuigt.

Diepe voren doorploegen zijn donkergroene zijden, maar regelmatig als de ribben van een kegel leiden ze opwaarts naar zijn kruin.

; Geheel alleen staat hij, een gansche landstreek beheerschende, gebiedende over alle leven van menschen, dieren en planten op zijn hellingen, alles rangschikkend volgens zijn geleidelijk toenemende hoogte. Weer en wind zijn van hem afhankelijk; hij verzamelt de wolken en brengt den regen.

Overal wordt het landschapsbeeld door zijn opstijgende lijnen beheerscht en hoe verder men van hem weggaat, des te zuiverder van kromming worden zijn flanklijnen, totdat hij eindelijk tegen den verren wazigen

Sluiten