Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIDODAREN.

Bij het eerste morgen-grauwen waren de van koude rillende koelies al bezig om de kisten tot pikoelvrachten samen te binden en weldra was ik onderweg naar den Ardjoeno-top. Veel te laat in den morgen naar mijn zin, maar het eerste deel van den weg moest opengekapt worden en dat gaat bij fakkellicht bezwaarlijk.

Eerst bij daglicht kon ik dus vertrekken en bedenkelijk keek ik naar de wolkenmassa's onder mij, in vreeze, dat ze eerder dan ik den top zouden bereiken en mij daar snoodelijk van alle uitzicht zouden berooven.

Tergend langzaam ging het achter den kapper aan en blij was ik, toen na een anderhalf uur eindelijk het struikgewas verdween en de open grasbodem toe liet om vrijelijk voorwaarts te gaan.

Maar ook steil opwaarts! Dicht langs den rand van den afgrond, gevormd door het ingestorte deel van den berg.

Dwars over den ouden kraterbodem is de kegel doorgereten; de scheurvlakken staan recht op als loodrechte wanden wier gele kaalheid grijnst tusschen het groen van spaarzame grashalmen en struiken, waarmee de natuur allengs tracht die wonden te helen.

Langs de scheurrand voert het pad en ik kan de verleiding niet weerstaan om zoo dicht mogelijk dien uitersten rand te naderen om een blik in den afgrond te werpen.

Honderden voeten onder mij, zie ik tjemara's staan als pieken gereed om den vallenden op te spietsen; 'tis griezelig aangenaam om zoo naar beneden te staren.

De wolken onder mij komen opzetten en hebben al de bosschen bij Lalidjiwo verzwolgen; naar West en Zuid echter is het nog helder. Geen boomen beletten nu meer het vrije uitzicht. Ik zie de grillige pieken van den Andjosmoro, het wonderlijke profiel van den Kloet en den tweetoppigen

Sluiten