Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„op den top nooit regent, want dat zoo ver, als het groene plantendek gaat, „ook regen valt".

Het is het witachtige, gele gras, de festuca nubigena (Junghuhn), dat den top zoo wit kleurt.

Dat het op die hooge toppen nimmer zou regenen, heeft menige doornatte bergbestijger, die het tegenbewijs aan den lijve voelde, tegen kunnen spreken, maar toch valt er ongetwijfeld minder regen dan op halver hoogte der hellingen.

Te verwonderen is dat niet, want het zijn juist de benedenste lagen van den dampkring, die het meest van waterdamp zwanger zijn.

Op nauwkeurige wijze onderzocht, is dit verschijnsel echter nimmer.

Eerst twee jaar geleden werden op den hoogsten top van West Java, den 3000 M. hoogen Pangerango regenmeters geplaatst en evenzoo op het 2400 M. hooge zadel tusschen Pangerango en Gedeh, te Kandang Badak.

In den bergtuin te Tjibodas, dat 1000 meter onder het zadel ligt, werden sedert lang regenwaarnemingen gedaan.

De uitkomsten, tot nu toe verkregen, zijn verrassend. Het blijkt boven op den top, maar weinig minder dan te Tjibodas te regenen. Zoo viel gedurende het jaar 1912 beneden te Tjibodas 2575 en op den top wel minder, maar slechts ongeveer een zesde minder, n.l. 2177 m.M.

Hoe groot zou echter dat verschil op een hoogen berg in Oost-Java zijn? Dat was een vraag, die zich vastknoopte aan tal van andere vragen betreffende den hydrologischen toestand der bergen, die zoo gewichtig voor kuituur- en andere belangen is.

Alleen nauwkeurige waarnemingen zouden uitsluitsel kunnen geven en daarom was een der doeleinden van mijn tocht om op de beide hoogste toppen van den vulkaan, op den 3330 M. hoogen Ardjoeno en den 3150 M. hoogen Welirang regenmeters te plaatsen. Ook te Lalidjiwo in 2500 en bij een triangulatie pilaar in 1300 meters hoogte werden instrumenten geplaatst, die, evenals de op de beide toppen opgestelde, één maal 's maands afgetapt zouden worden.

Te Prigen, dat 600 M. hoog ligt, werden al sinds lang dagelijksche metingen verricht.

Omtrent de oudheden schrijft Zollinger verder: „Thans vindt men nog

Sluiten