Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de sprongen krijgt de val meer vaart en de steenen gaan nu verder de helling afrennen om na enkele oogenblikken nieuwe hinderpalen te ontmoeten. De botsingen zijn ditmaal heftiger en geweldige luchtsprongen van wel honderd meter maken de weer fel oplichtende brokstukken, die thans als een vurige regen neerdalen en met doffe knallen lager op de helling neerploffen 'en met nog razender vaart vonken spattend verder rollen.

Ten slotte smakken ze tegen een laatste onoverkomelijke hindernis en blijven daar liggen, zoodat het ondergedeelte der helling met gloeiende punten bezaaid achter blijft.

Langzaam doven die gloeipunten uit, maar vóór dat ze verdwijnen, opent zich de berg weer en laait opnieuw de onheilspellende gloed op. En uit die onheilzwangere wolken schieten weer de vurige strepen, die, al dalende, onder ratelend geweld met opbliksemende botsingen in vuurregens uiteenspatten.

Telkens en telkens herhalen zich die vuurdalingen en bevangen door de grootschheid van dat schouwspel van ongebreidelde natuurkrachten, staan wij sprakeloos in gespannen aandacht naar de helsche helling te staren.

Wij bemerken nauwelijks, dat de dageraad aanbreekt, maar worden ons toch bewust, dat we de helling zelve beter gaan zien en dat we de stofwolken, die de neerploffende steenen op doen stuiven, aanvangen te onderscheiden en dat de gloed in de solfataren begint te verbleeken.

Snel wint het eerste daglicht in sterkte, zooals dat in den helderen morgen van het tropische hooggebergte zoo opvallend ras kan gaan en het duurt niet lang of het nachtelijk schouwspel is omgezet in een daggezicht.

De vogels beginnen te zingen, langgestrekte vederwolken worden met teere tinten gekleurd en de berghelling, die nu eerst voor ons reusachtig hoog tot den rookenden top oploopt, glanst in het morgenrood.

Maar onafgebroken gaat de vreeselijke steenenval voort, in onbarmhartige tegenstelling met die teere morgenstemmen en tinten.

Nu zien we ze van boven af als rotsblokken aankomen en kunnen ze volgen in hun wilde doodelijke reis en zien ze, ondanks het morgenlicht toch nog dof rood gloeien. Daar boven springen ze in korte sprongen en telkenmale als ze de helling weer treffen, stuift een stofwolk op, zoodat ware snoeren van witte wolkjes zich afteekenen.

Sluiten