Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geribd en tot bijna in het hart ingesneden door diepe ravijnen, ieder met donkeren west- en zonnigen oostkant, uit de ver weg zich uitstrekkende vlakten van Solo in boogvorm oprijzende. Heel hoog zagen wij de ribben in rotsmassa's culmineeren en van daar, in langzame stijging, een kale, donkere graat met witte rotspartijen zich naar de toppen van den oudsten kraterrand uitstrekken. Daar boven weer torende de beruchte kegeltop op, die onafgebroken rookwolken uitzond.

En, jawel, dat moest de scherpe driehoek van den Mesdjidan zijn en daar kwam voor een kort oogenblik de zwarte top van het nieuwe propgedeelte boven den ouden door de rookwolken heen kijken.

Dan verder naar het Westen afdalend, de kale asch- en puinhelling, die, als met een mes gesneden, tegen het hemelblauw afstak, tot waar ze door de nabijgelegen bergkammen werd onderschept.

Op den middag vol zonneschijn volgde een sterrenklare nacht en lang voor den dageraad gingen wij tusschen de rhododcndron-struiken over de steile hellingen opwaarts.

Boven ons stak de rotskop onzer bergribbe zwart tegen den hel glanzenden melkweg af; schijnbaar dicht bij, maar lang duurde nog het ingespannen stijgen voor dat eenige nadering duidelijk begon te worden en toen begon het al te dagen in het Oosten.

De stil glanzende pyramide van het dierenriemslicht was eerst aan zijn breede basis hel en heller geworden, had zich zacht rood getint; wolkenstrepen dicht bij de kim verfden zich bloedrood en de diaphane lichtschijf van het purperlicht rees,, blauw doorstraald, statig als een open waaier uit de .oranje schemerboog van den horizon naar boven. Toen vlamden allerwege aan den zoo helder gedachten donkerblauwen hemel, onvermoede vederwolken rood op en de sterren doofden uit in de aangroeiende lichtheid. En toen ook de blauw en purperen reuzenwaaier was verdwenen en na sterk en sterker gloeien der wolkenbanken bij den oosterkim, deze zich met goud omzoomden e» weldra de zonnestralen zelf uit de goudranden schoten, toen kwamen wij op die hooge rotskoppen en konden in het jonge, reine morgenlicht de luchtige wandeling over de kammen maken.

Nog een moeizame helling op en wij staan op den rand, den Paseban, •d. w. z. de voorgalerij van den mesdjid, en zien óver den met steenen be-

Sluiten