Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schappelijke wereld kon berichten over de wonderen van den Kawah-Idjen met zijn intens zuur, blauwgroen meer, dat geheimzinnig tusschen de cyclopische wallen van een reusachtigen krater lag te slapen, ongestoord door de ruischende solfataren aan zijn oever!

Toch was de reiziger Leschenault de la Tour niet de ontdekker van het meer; de O. I. Compagnie had al lang door inlanders zwavel aan den Oostelijken meeroever laten winnen voor haar kruit-aanmaak, vooral in de jaren 1786 tot 1788, en uit het jaar 1789, dus 16 jaar vóór Leschenault, is het eerste bericht van Europeesch bezoek. Het verhaal werd echter eerst veertig jaren later geschreven.

Toentertijd kwamen er meerdere berichten over de Javaansche bergen en begon het eindelijk in de hoofden van zulke „oudgasten" (zooals de anonieme beschrijver van het bezoek in 1789 zich noemt) te schemeren, dat berichten omtrent dergelijke tochten dan toch wel eenige waarde hebben.

Onze „oudgast," die, zooals Stöhr schrijft, volgens mondelinge mededeeling van een Dr. Epp, de latere resident van Bandjermasin, de Waal, moet geweest zijn, begeleidt den toenmaligen Commandant van Banjoewangi Clemens de Harris, die wilde onderzoeken of de oorzaak van de groote sterfte onder het garnizoen door invloed van den Kawah-Idjen kon worden veroorzaakt.

Het reisverhaal, zij het ook wat opgesmukt, en hier en daar onduidelijk en onvolledig, is zeker merkwaardig en het meeste komt mij geloofwaardig voor.

Zoo treffen zij in het bosch voor hen nog onbekende niet-mohamedaansche dorpen aan. Thans zijn op het plateau nog enkele overblijfselen van een oude vestiging van daarheen gevluchte Hindoes over; ook een paar Hindoe-beeldjes zijn in een bosch te vinden.

„Eindelijk", zoo heet het in 't relaas „bereiken wij den top van den berg. — Maar wie is in staat een beschrijving te geven van de aandoeningen, die het verrukkelijk en, aan den anderen kant, akelig en schrikverwekkend gezicht, dat wij voor ons hadden, te weegbracht. Vrees, verwondering en eerbied voor het Opperwezen wisselden beurtelings bij ons af. Wij bevonden ons aan den rand van een verschrikkelijken en onafzienbaren afgrond zoo als men de hel zou kunnen afschilderen".

Sluiten