Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken tocht gegeven; hij bereikte echter zijn einddoel niet, want na uren worstelens stond hij om over drieën in den namiddag voor een loodrechten wand, die hem een onverbiddelijk halt toeriep. Midden door het bosch terugkeerende, bereikte hij daarna eerst tegen het vallen van den nacht zijn bivouak op den Oengoep-oengoep.

Later hebben Ottolander en Bresser hetzelfde beproefd, maar ook zij werden door een overhangenden wand, tusschen onbeklimbare zijwanden tot omkeeren gedwongen.

„Oudgast" heeft in het volgende jaar (1790) een tweeden merkwaardigen tocht gemaakt, die evenwel zeer kort en onduidelijk door hem -beschreven is; maar hij was de eerste, die berichten kon over het afwisselend zure karakter van de beek, die uit het meer vloeit. Hij komt n. 1. te Kali-Tikoes, waar, zooals hij schrijft, zich de beek uit het meet met de kali-Tikoes vereenigt, waardoor het water soms zoo groen als gras en soms zoo wit als melk wordt, doch in beide gevallen zeer schadelijk voor de dieren is.

De reisverhalen van dezen Indischman uit 1789 en van den Fran-. schen reiziger uit 1805 zijn niet het minst merkwaardig, omdat ze resp. voor de kleine uitbarsting van 1796 en de groote van 1817 dagteekenen. Hoe geweldig deze laatste ook geweest is, en hoe het Banjoewangische toen geleden heeft door de zure moddervloeden, die uit de, door aschregen vernielde, bergwanden neerkwamen, zoo schijnt toch in den vorm van krater en meer weinig verandering te zijn gekomen.

Wij kennen thans een treffend analogon in het Kloetmeer, dat evenmin door de geweldige uitbarsting in 1901 veranderd werd. Wel werd een massa water uitgeworpen, zoodat de waterspiegel na de uitbarsting omstreeks een 60 M. gedaald was. Dit schijnt bij het Idjen-meer in 1817 ook gebeurd te zijn; er is toch een zeer merkwaardig bericht van een inlandschen jager, Bapa Koemi, die enkele dagen vóór het begin der uitbarsting het meer bezocht en zes dagen na afloop door den regent weer daarheen werd gezonden. Toen kon hij echter wegens den dikken rook niet in den krater neerzien; maar drie maanden later, toen hij weer naar boven ging, zag hij, dat de krater zeer diep was geworden, terwijl hij hem vóór de uitbarsting, zeer ondiep had bevonden, nauwelijks dieper dan de hoogte van

Sluiten