Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om dé koelies gehurkt waren en het gemurmel hunner stemmen verjoeg uit het halfduister mijner hut de beklemming der eenzaamheid.

Reeds bij zonsopgang had ik den rozentuin van den pasanggrahan Simpar verlaten en was door de bebouwde akkers getrokken naar den grooten berg, die, met zijn kalen rookenden kruin, hoog in het hemelblauw oprees, maar die al witte wolken tot zich had getrokken, toen ik na een paar uren van langzaam stijgen het oerwoud was binnengetreden. Afwisselend was de zon tusschen die wolken doorgekomen en had in het bosch wondermooi zijn stralen laten spelen op bladeren en stammen, of was verdwenen om alles in dofheid achter te laten.

Ook een spel van tegenstellingen!

Zoo, staag door stijgend, met een half uurtje uitblazen ergens op al groote hoogte, was het woud eindelijk lichter geworden en spoedig was het een klimmen over steile, met hoog gras overdekte hellingen geworden, totdat ik ten lange leste een blik had gekregen op den kalen, rotsigen lavakegel en mij de emotie der tegenstelling met de groene boschhellingen door het gemoed was gevaren.

Een uur na den middag was de pondok bereikt; dicht bij de bovenste boschgrens is zij gelegen. Ook de dragers waren, na eenig wachten, boven gekomen en het middagmaal was genuttigd geworden; maar de vulkaan bleef trekken en spoedig was ik weer op marsch gegaan.

Eerst nog een klein eind door het hooge gras en toen had ik weldra de lavaplaten en steenblokken van den naakten kegel onder mijn voeten en zijn steHe duizend voet hooge helling klom voor mij op, en ik moest haar na klimmen, tot waar de kraterrand haar afsneed van het uitspansel.

Maar eerst hadden de beide koelies met rookoffer en gebedgeprevel, mitsgaders het herhaald roepen van „salam aleikum" de boosheid van den berggeest trachten te bezweren, en, stil wachtende tot die natuur-eeredienst was algeloopen, had ik mij aan de theologische overpeinzing overgegeven hoe alle geloovigen, 't zij dan onze Mohammedaansche inlander, onze Katholieke landgenoot, of onze Theosofische vriend, in hun hart nog allemaal aan geesten gelooven en hoe ook ik, die mij, daarboven in de kraterwereld, ging overgeven aan den machtigen indruk, dien de geest van vernieling en verteering, opbouwing en afbreking, op mij zou maken, mij ten slotte even

Sluiten