Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolken-gevaarten schenen uit het Oosten te naderen en een omineus dondergerommel en bliksemlicht kwam uil die donkere nevelmassa.

Bij onweer op een bergtop te staan zou in Europa zeer gevaarlijk zijn, maar in deze contrijen is het gevaar veel minder. De onweersbuien worden wel op de hellingen der vulkanen geboren, maar ze verwijderen zich van de toppen. In de gematigde luchtstreken daarentegen trekken de onweders met lange fronten voorwaarts en gaan ook over de toppen heen, die juist door hun puntigheid den bliksem aantrekken. Van blikseminslag in de triangulatie-pilaren op de hooge Indische toppen, zijn bijna geen gevallen bekend.

Was ik dus, hier op den Slamattop staande, theoretisch gedekt, toch bleef er nog een klein restje empirische onzekerheid in mijn gemoed over, waardoor ik mij zeer wel kon vereenigen met de overweging, dat, aldewijl er geen spoor van uitzicht was en verder niets te zien dan een simpele triangulatie-zuil, geen aanleiding aanwezig was om langer op dat geëxponeerde punt te blijven en ik gevoegelijk weer naar de zandvlakte kon afdalen.

Toen ik daarna beide vlakten weer doorschreed, week de bui inderdaad van den berg af, en, zoowaar, aan dén Noordwestelijken rand der kleine vlakte gekomen, daar, waar ze zonder randverheffing onmiddellijk in de groote buitenhelling van den berg overgaat, gunde Jupiter Pluvius mij een doorblik naar de groene laagvlakte.

Zulk een, van vochtige glanzen verzadigd groen, als door dat wolkengat, zag ik nog nimmer. Het landschapsbeeld was geheel onwezenlijk en doemde op als de bodem van een diep, op onverklaarbare wijze verlicht, sprookjes-meer.

Kort duurde die opdoeming; dikke wolken, die zich op de helling van mijn berg meester voelden, bliezen zich verwaten op tot groote grauwegevaarten en slokten het betooverde tafereel ganschelijk op, zoodat enkel een kleurige herinnering overbleef, die mij bij de afdaling vergezelde.

En zoo was ik dan bij het vallen van den nacht weer aan de boschgreiis gekomen en had door het druipnatte, hooge gras de hut bereikt; nog tijdig voor den regen, die weldra opnieuw neerviel. Toen ik mij echter tér ruste begaf, was het weer al opklarende en, om middernacht wakker geworden, zag ik door de opening van de half sluitende deur mijner hut het

Sluiten