Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onwillekeurig dacht ik aan mijn studententijd, .toen wij het kegelspel vlijtig beoefenden en, als slot van den avond, na alle kegels op een lange rij geplaatst te hebben, om den laatsten gingen gooien. Wat viel, bleef liggen.

Welke jeugdige titanen mogen het wel zijn, die hier, op Java, kegelen? Die ons schoon eiland niet meer dan een kegelbaan achten en juichen als ze den bal over de plank hooren rollen en een kegel zien omstorten?

Was de Krakatau de eerste van het negental, die omver viel en stond ik soms hier, op den hoogen Slamat, op den koningskégel?

Van mijn uitzichtspunt afgedaald, begaf ik mij naar de rookende rotswanden, die aan de voorzijde van de groote zandvlakte staan, om de plaats te zoeken, waar, volgens zijn beschrijving, Junghuhn in de maand Augustus van het jaar 1847 een vijftal dagen in een hut had gewoond. De eerste vier dagen genoot hij van helder zonnig weer; meette hij de kratervelden en wanden op; bestudeerde de vulkanische efflata; bepaalde de temperaturen van bodem en lucht; nam de richtingen naar andere vulkaantoppen op en eerst den laatsten nacht werd het weer slecht. Juist toen had hij bezoek gekregen en niet onvermakelijk beschrijft hij den slechten nacht, dien zij in de hut, waarin het weldra bandjirde, moesten doorbrengen, gezeten op kisten en verontrust door het onheilspellend gebrom en geloei van den krater.

Reeds in de maand Augustus van het jaar 1838 had Junghuhn een bezoek aan den top gebracht, toen in gezelschap van Fritze, Holle en Borst en was hij uit het Tegalsche opgestegen; in 1847 daarentegen kwam hij uit den Banjoemas.

Even levendig als de krater met zijn solfataren en fumarolen zich aan hem vertoonde, is zijn beschrijving van dien heksenketel, en toch vol van nauwkeurig detail, zooals hij dat zoo meesterlijk vermocht.

Het reusachtige zwavelgeweli', dat in zijn tijd tot bijna halverhoogte den Westwand uitholde, en, met luid geblaas, geweldige zwavel zwangere dampwolken uitbraakte, is thans verdwenen. De topografen in 1910 vermoedden, dat het door zwavelafzetting gedicht is; maar dat komt mij minder waarschijnlijk voor: eerder denk ik aan afstorting van boven. In elk geval rookt het daar ter plaatse nog geducht.

Verleden jaar zijn de solfataren weer sterker gaan rooken; ook zag

Sluiten