Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verschrikt door de grimmige onbegrijpelijkheid van dat mysterie, angstig als een kind in het donker, heeft de mensen telkens weer gepoogd haar wreede hardheid te verzachten.

Grieken dachten zich het hemelruim als badend in den lichtgloed van den vurigen aether en de sterren als openingen in het hemelgewelf, door welke de mensch een glimp ? van dien hemelschen gloed mocht gewaar worden.

Pythagoras hoorde in de stilte van den oeranos het zuivere accoord der spherenharmonie ruischen, gelijk de teere klank van een aeolus-harp in een stil en statig park op een warmen zomerdag ons oor bereikt.

De denker Descartes nam oneindigheden van verschillenden graad aan; maar zijn ladder was niet als de ladder, die de aartsvader Jacob in zijn droom tot den hemel zag reiken, en, al waren zijn sporten ook nog zoo wijd, zijn ladder klom niet tot de hoogten der volstrekte oneindigheid.

Geloof en bijgeloof hebben immer de hemelruimten bevolkt met goden en geesten, duivels en demonen, met de zwevende zielen der zaligen en de dolende schimmen der verdoemden, om aan het onverdragelijke denkbeeld der volstrekte leegte te ontkomen.

En niet anders deden zij, die de oneindige wereldruimte vulden met den aether, om daarmee hun voorstelling der licht-voortplanting te redden, welke in de volkomene leegheid dreigde te verdrinken, als de schipbreukeling in de onbarmhartige wateren van den oceaan.

Weer andere denkers trachtten aan den klemmenden druk van dit geheimenis te ontkomen, door haar tot de vrijheid terug te brengen, die eigen was aan der menschen bevattingsvermogen, dat alle indrukken der buitenwereld volgens categoriën rangschikt. Dat vermogen was ongebonden, was onbegrensd, ergo kwam den mensch datgene, wat hij met dat vermogen waarnam, ook onbegrensd voor.

Maar wij, die op onzen hoogen bergtrans opkeken naar de stralende sterren, zagen ze wijken naar steeds verder verwijderde verten en hun wemeling, vol van vlammend wereldgebeuren, wegwazen tot nevelvlekken en wij voelden de objectieve werkelijkheid der oneindige verten, die geen redeneering tot subjectieve gewaarwording kon terugbrengen.

Sluiten