Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest zijn gekomen en vloog ik van mijn legerstede op, wierp mijn mantel om en opende met een ruk de deur.

Met schrik zag ik dat het maar al te waar was en dat ontstellend groote wolkenballen, die als met vurig bloed bevlekt waren door den infernalen gloed, met vaart uit den vuurhaard opstegen. Paarsche vuurballen vlogen door de lucht en het geloei en geknal groeide aan.

Nog juist zag ik mijn Tenggereezen met hun paard wegvluchten, maar zelf, aangetrokken door den vulkaan als een vlinder door een sterk licht, rende ik langs den zigzag, die nu door de uitbarsting verlicht werd, naar beneden en holde door de Zandzee.

Hoe meer het geloei aangroeide en mij het hart van ontzetting deed sidderen, des te sterker werd ik door het brullende monster aangetrokken en, ademloos van den dollen loop, zag ik het eindelijk voor mij liggen.

Gloeiende bommen ploften op zijn hellingen neer en rolden als vurige slangen naar beneden; de rookwolken, die in toomelooze vaart uit den krater achter elkaar opdrongen, wierpen den helschen gloed de Zandzee in en vulden haar met spookachtig licht.

Steeds wilder werd de uitbarsting en in doodelijke angst bleef ik als

verstijfd staan.

Mijn angst ging echter in ontzetting over, toen ik geen bommen meer, maar wezens boven den kraterrand zag opstijgen. Vreemde monsters als groote sauriërs kwamen te voorschijn, daalden neer op de aschhelling en liepen en sprongen in de arena. Een regen van gedierten, kruipend en springend, volgde hen en alles daalde af. Herten en tijgers sprongen hen achterna de zandvlakte in en ik zag het spookcircus zich vullen met razende beesten en steeds nieuwe wezens uit de vurige, barende schoot geboren worden.

Vreeselijke oermenschen met woeste apentronics kwamen aanrennen en begonnen een wilden rondedans op dit schrikkelijkste aller tooneelvloeren. Ze drongen op mij aan; ik gilde van doodelijke ontzetting en

Nog trillend van droomangst stond ik op, hulde mij in mijn mantel, opende de deur van de hut en trad naar buiten in den stillen nacht.

Diep onder mij sliep de Zandzee, flauw beschenen door het maanlicht als het rustige gelaat van een sluimerend mensch bij het zwakke schijnsel

Sluiten