Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken ontstaat en het denken kan slechts verbinden wat gescheiden is, het gelijke opsporen in de ongelijkheid. De ongelijkheid is nacht en inbeelding; zij ontstaat uit onze zinnelijkheid, onze zintuiglijkheid, die haar eigen veranderlijkheid op het voorwerp, dat zij waarneemt, wil overbrengen. Eischt de verscheidenheid en veelheid den strijd als den vader aller dingen, de eenheid eischt de eeuwige orde, de heerschappij der wet; zij stelt de staatseenheid boven het bijzondere en vele, de eenheid en gelijkheid der burgers boven de belangen van den individu.

Franciscus vond voor zijn allesomvattende liefde het ideaal in het christendom; zoo vond Parmenides zijne begeerte naar het al-ééne vervuld in de pantheïstische godsvoorstelling van zijn voorganger en meester Xenophanes. Met groote scherpzinnigheid heeft Parmenides in de leer van Heraklitus de zwakke plek ontdekt: Heraklitus verzuimt namelijk de oorzaak te noemen, waarom zijn al-vuur in andere bestaansvormen overgaat; dit is, volgens Parmenides, de ongerijmdheid in zijn stelsel. <In de rectjb zoo onderstelt de laatste, ''bezitten wij een orgaan, waarmede wij, onafhankelijk van onze ervaring, de dingen kunnen be-grijpen, om-vatten. Vertelt ons de zinnelijke ervaring iets omtrent de dingen, dat met de logica van ons verstand niet te rijmen valt, dan moeten wij die logica vertrouwen en aannemen, dat onze ervaring ons bedriegt. Parmenides schroomt j / niet de gevolgtrekking te maken, dat niet alleen het getuigenis delr ) zinnen behoort te worden ter zijde gesteld, maar dat heel die wereld I van verschijnselen, die de zintuiglijke waarneming ons voortoovert, n niets, dan bedrieglijke ij delheid is en dat alleen het al-ééne, het zijnde bestaat. Dit al-ééne is onbeweeglijk, onafgebroken, slechts aan zich zelf gelijk, ondeelbaar, zonder begin of einde in den tijd, zonder verleden of toekomst, alleen in het heden, doch in de ruimte begrensd. Parmenides vergelijkt het, evenals Xenophanes, met een bol. Worden en vergaan zijn onbestaanbaar; want iets, dat wordt, zou tegelijk niet moeten zijn en toch wel moeten zijn en iets dat vergaat, zou wel moeten zijn en tevens toch weer niet, althans niet volkomen, moeten zijn.

Sluiten