Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT IV.

DE SOPHISTEN.

Het tooneel, waarop zich van nu aan de geschiedenis der Grieksche wijsbegegeerte voorloopig gaat afspelen, is Athene. Reeds Anaxagoras, den vriend van Perikles, hebben we daar aangetroffen, in dien merkwaardigen tijd, toen de hoofdstad van het Attische landschap, eeuwen lang op den achtergrond gebleven, aan de spits der Grieksche beschaving kwam te staan en in wonderbaarlijk snellen, doch kortstondigen bloei het middelpunt werd, waar het leven des geestes in al zijn uitingen zich concentreerde,' zoodat het den tijdgenoot voorkwam, alsof de herinneringen van Hesiodus aan een „gouden eeuw" der menschheid op nieuw werkelijkheid waren geworden.

Ik behoef mij niet te wagen aan eene schildering van den uitwendigen glans en luister, die van Athene in de dagen van Perikles uitstraalde en voor uwe verbeelding op te roepen: de Akropolis met zijn Parthenon, zijne Propylaeën en zijn Erechtheion, zijn gedenkteekenen en godenbeelden en wat verder zou te vermelden zijn. Men kan de uitvoerige beschrijving van dit alles in historische werken naslaan. Maar het komt mij niet overbodig voor in enkele hoofdtrekken aan te geven, uit welke geestelijke en politieke factoren het proces was samengesteld, welks ontwikkeling Athene tot zulk een voormacht van de cultuur had gemaakt, opdat wij aldus het tooneel leeren kennen, waarop wij weldra eerst de Sophisten, daarna Sokrates en eindelijk Plato zullen zien optreden.

Het wijsgeerig denken in Griekenland had in de Klein-Aziatische en Zuid-Italiaansche koloniën de eerste phasen zijner ontwikkeling doorgemaakt, toen het in de 5e eeuw vóór Chr. in het moederland

Sluiten