Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Doch ook het Zijnde bestaat niet. Want wanneer het bestaat, dan is het óf eeuwig, óf geworden, óf beide. Geen dezer onderstellingen is evenwel houdbaar, en derhalve bestaat het Zijnde niet

„Want, indien het Zijnde eeuwig is, dan heeft het geen begin. Alles, wat wordt, heeft namelijk een begin; het eeuwige echter, dat niet geworden is, heeft zulk een begin niet. Maar wat geen begin heeft, is zonder grenzen; en wat zonder grenzen is, is nergens; en wanneer het nergens is, bestaat het niet."

„Het Zijnde kan echter ook niet geworden zijn. Want wanneer het geworden is, dan is het óf uit het Zijnde, óf uit het Niet-zijnde geworden. Maar uit het Zijnde is het niet geworden; want wanneer het een Zijnde is, is het niet geworden, maar het is er al; en uit het Niet-zijnde is het niet geworden; want het Niet-zijnde kan niets voortbrengen; want wat voortbrengende kracht bezit, moet noodzakelijk deel hebben aan het Zijnde. Derhalve is het Zijnde niet geworden." „Evenmin kan het Zijnde eeuwig en tevens geworden zijn. Want het eene heft het andere op: wanneer het Zijnde eeuwig is, dan is het niet géworden en wanneer het geworden is, dan is het niet eeuwig. — Wanneer derhalve het Zijnde noch eeuwig, noch geworden, noch beide tegelijk is, dan bestaat het in geen geval." „Maar, aangenomen dat iets bestaat, dan is het voor den mensch onbegrijpelijk en onkenbaar. Want indien dat, wat gedacht wordt, niet bestaat, dan is het niet het Zijnde, wat gedacht wordt. Dat, wat gedacht wordt bestaat echter niet. Want indien dat, wat gedacht wordt, bestaat, dan bestaat alles, wat gedacht wordt, hoe men het zich ook moge denken. Dit is evenwel in strijd met de ervaring. Want wanneer iemand zich een vliegenden mensch denkt, of wagens, die over de zee rijden, dan vliegt er daarom nog geen mensch, en rijden er nog geen wagens over de zee. Derhalve bestaat niet dat, wat gedacht wordt."

„En verder: wanneer dat, wat gedacht wordt, bestaat, dan zal het Niet-zijnde niet gedacht worden; want de eene tegenstelling beantwoordt aan de andere. Het Niet-zijnde vormt een tegenstelling met het Zijnde en, wanneer het gedacht worden aan het Zijnde

Sluiten