Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

practijk gebracht te zien. Practisch bewerkte zijn optreden eene eminente verdieping en verinnerlijking van de opvattingen, die tot nog toe op zedelijk gebied gegolden hadden. Steeds leiden de Sokratische gesprekken tot de uitkomst, dat zelfbeheersching, harding, matigheid, eenvoudigheid in levensgewoonten, onthouding bovenal, behooren te worden nagestreefd. Niets te behoeven, aldus meent Sokrates, is goddelijk; zoo weinig mogelijk te behoeven brengt ons den goden zoo dicht mogelijk nabij. Hij weet dat op zijne manier eudaemonististh toe te lichten; hij onthoudt zich b.v. van het gebruik van lekkere spijzen, omdat hij dingen kent, die niet maar genot verschaffen voor het oogenblik, dat zij gebruikt worden, maar die in hem de hoop versterken op een duurzame vreugde. Onmatigheid en het hebben van velerlei behoeften maken den mensch tot slaaf zijner begeerten en verhinderen hem, in geestelijke onafhankelijkheid aan de bevordering van zijn welbegrepen geluk werkzaam te zijn. Zinnelijk genot, op zich zelf beschouwd, wordt door Sokrates niet veracht; hij is er volstrekt niet altijd afkeerig van; want voor hem zelf is het niet gevaarlijk. In Plato's „Gastmaal" doet hij den gastheer alle eer aan; maar als hij bij het aanbreken van den dag alle andere gasten onder de tafel gedronken heeft, gaat hij, de eenige, die nuchter gebleven is, niet naar huis om uit te slapen, maar naar de markt om er even als altijd onder de menschen te verkeeren en zijn roeping te volbrengen. Telkens treffen wij bij Sokrates eene diepere opvatting aan van het wezen van datgene, wat onder de menschen voor deugd geldt. Zoo bestaat, volgens hem, de gerechtigheid daarin, dat niet alleen de geschreven wetten van den staat, maar ook de ongeschreven wetten der goden worden volbracht; want, — dit is weer echt eudaemonistisch! — de straffen, door de goden over de overtreders gebracht, zijn heel wat zwaarder dan die, waarmede de staat de ongehoorzamen pleegt te straffen. Zoo is, om een ander voorbeeld te noemen, heerscher en machthebber niet hij, die den schepter draagt, maar die een zaak tot in den grond toe kent. Elders eischt hij, dat allen, die daarvoor aanleg en talent bezitten, zich aan de

Sluiten