Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoor volgt van hetgeen thans en vroeger door ons besproken is, toch geen schrede voorwaarts zult doen, al zoudt gij mij in het tegenwoordig oogenblik dienaangaande de sterkste beloften en verzekeringen geven. — Daarop, — aldus sprak Kriton, — zullen wij - ons dan met den meesten ijver toeleggen ; maar op welke wijze zullen wij u begraven? — Zooals gij wilt, was het antwoord, ondersteld dat gij mij kunt vatten en ik u niet ontsnap. Toen zag hij ons met een kalmen glimlach aan en sprak: ik kan Kriton maar niet overtuigen, dat ik, deze Sokrates ben, die thans tot u spreek en van hetgeen ik zeg ieder woord op zijn plaats zet; maar hij houdt mij voor genen, dien hij weldra dood zal zien, en daarom vraagt hij, hoe hij mij moet begraven. Zoo schijnt het dan, dat ik voor hem te vergeefs sprak, toen ik, om zoowel u als mij zeiven te bemoedigen, lang en uitvoerig heb uiteengezet, dat ik, na den gifbeker gedronken te hebben, niet meer bij u zal vertoeven, maar heengaan naar zeker gelukkig oord der zaligen. Stelt dus voor mij aan Kriton den tegenovergestelden borgtocht van dien, welken hij voor mij aan de rechters stelde. Want hij stond voor mij borg, dat ik blijven zou; maar gij moet voor mij borg staan, dat ik niet zal blijven, zoodra ik gestorven ben, maar heengaan, opdat Kriton daarin troost vinde en zich niet, als hij mijn lichaam ziet verbranden of begraven, om mijnentwil bedroeve, alsof mij eenig kwaad overkwam en bij de lijkplechtigheden niet zegge, dat hij Sokrates ten toon stelt, uitdraagt, of begraaft. Want weet wel, mijn beste Kriton, zich onjuist uitdrukken, dat is niet alleen op zich zelf genomen verkeerd, maar het is ook schade voor de ziel. Wees daarom goedsmoeds en zeg, dat gij mijn lichaam begraaft en begraaf het zoo, als u lief is ; en als het naar uw gevoelen het meest in overeenstemming is met wet en gewoonte".

„Nadat hij dit gezegd had, begaf hij zich naar zeker vertrek om te baden en Kriton volgde hem, maar verzocht ons te wachten. Alzoo deden wij en onderhielden ons eerst met elkander over het gesprokene, dat wij opnieuw overwogen, en daarna over de ramp, die ons trof, waarbij bleek, dat het ons voorkwam, dat wij, als van

Jansen. Geschiedenis der Wijsbegeerte. g

Sluiten