Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vader beroofd, verder ons leven zouden doorbrengen als weezen. Nadat nu Sokrates gebaad had en zijne kinderen, — hij had twee kleine zonen en een volwassenen, — bij hem waren binnengebracht, en de vrouwen uit zijn huis gekomen waren, sprak hij met haar in tegenwoordigheid van Kriton en deelde haar zijn laatste wenschen mede, gelastte haar toen zich met de kinderen te verwijderen en keerde zelf tot ons terug. Het was toen reeds dicht bij zonsondergang; want hij had geruimen tijd daarbinnen vertoefd. Bij ons gekomen, zette hij zich weer neder; en nauwelijks had hij eenige woorden gesproken, of de dienaar der elfmannen kwam binnen, trad op hem toe en zeide: Over u, Sokrates, zal ik niet zoo gering denken als over de andere veroordeelden, die boos op mij zijn en mij vervloeken, wanneer ik hun op bevel der overheden aanzeg, dat zij het gif moeten drinken. Immers heb ik u in dezen tijd leeren kennen als den edelsten, zachtzinnigsten en braafsten man van allen, die hier ooit gekomen zijn; en ik weet dan ook wel, dat gij het mij niet euvel zult duiden, maar hun, die, zooals gij weet, daaraan schuldig zijn. Vaarwel dan, — want het is u bekend, wat ik u kom aankondigen, — en tracht u zoo goed mogelijk in het onvermijdelijke te schikken. — Weenend wendde hij zich om en ging heen. — Sokrates blikte tot hem op en hernam: Vaarwel ook gij.; wij zullen doen wat gij zeidet; en daarna sprak hij tot ons: Hoe beleefd is die man; zoo lang ik hier was bezocht hij mij nu en dan en sprak mij toe; en toonde zich den besten der menschen; en hoe edelaardig treurt hij thans om mijn lot. Kom, Kriton, laat ons hem gehoorzamen; men brenge mij het vergif, als het gereed is; zoo niet, laat de man het dan bereiden. — Maar als ik het wel heb, zeide Kriton, is de zon nog op de bergen, en bovendien weet ik, dat anderen eerst zeer laat, nadat het hun bevolen was, het vergif genomen hebben, en niet, voordat zij eerst goed gegeten en gedronken hadden, ja van sommigen weet ik, dat zij eerst nog hun geliefden hebben bijgewoond. Haast u daarom niet; want er is nog tijd. Geen wonder, antwoordde Sokrates, dat zij, die gij bedoelt, alzoo deden; want zij meenen

Sluiten