Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem veroorzaakte, belette hem, den blik ongestoord op het EeuwigZijnde gericht te houden. Anderen zielen werd, om dezelfde oorzaak, slechts een vluchtige blik in die heerlijkheid gegund. Nog weer andere zielen hebben met de onwillig steigerende paarden zooveel te doen, dat niets van de bovenbemelscbe heerlijkheid door haar wordt gezien. Maar verreweg de meeste zielen, met geweld de hoogte inrijdend, konden slechts aan deze zijde van de welving des hemels de wenteling medemakën. In het gedrang om boven te komen verdringen en trappen de weerstrevende paarden elkander en bij sommigen is de wagenmenner zoo onbekwaam, dat de paarden gekneusd en lam geslagen, hun vleugels beschadigen en in de laagje zinken. En nu mogen die zielen, die niets of althans niet genoeg van het Eeuwig Zijnde hebben gezien, slechts met schijnvoedsel zijn gevoed, hun vleugels verminkt of verloren hebben, en met vergetelheid werden vervuld, zelfs niet in den hemel blijven. Zij zinken neer en worden verbonden aan aardsche stof. Naar gelang zij meer of minder van het Zijnde hebben gezien, komen zij in de lichamen van wijsgeeren, schoonheidsminnaars of verüefden, van koningen of veldheeren, van menschen, die geschikt zijn om den staat te besturen, hun vermogen goed te beheeren en zaken te doen, van gymnasten, die het lichaam oefenen of van artsen, die de ziekten deshchaams genezen van profeten en wichelaars, van dichters of kunstenaars, van handwerkslieden of landbouwers, van sophisten en demagogen, en eindelijk: van tyrannen en geweldenaars. Aldus is onze menschenwereld ontstaan en is aan ons menschen in verschillenden graad het vermogen gelaten om in de vergankelijke dingen der zinnelijke wereld de onreine en onvolkomen afbeeldingen, de afdrukken te herkennen van het Eeuwig Zijnde, dat wij eens m praeexistentie aanschouwden. En als wij nu hier in ons aardsche bestaan gestalten en dingen zien, die de herinnering aan het bovenhemelsche in ons bewustzijn met bijzondere levendigheid wakker roepen, dan maakt zich een diepe ontroering meester van ons gemoed; de verminkte vleugels onzer zielen beginnen weer aan te groeien en wij noemen zulke dingen dan „schoon".

Sluiten